Een IQ-score is geen rapportcijfer en geen percentage goede antwoorden. Het is een plaats op een schaal die zo is gebouwd dat het gemiddelde van de bevolking op 100 ligt. Hieronder lees je hoe die schaal werkt, wat elke bandbreedte betekent en hoe je een score wel en niet moet lezen.
Laatst bijgewerkt op 4 september 2026 · Team IQ-EXAMS.COM
Moderne IQ-tests gebruiken een afwijkings-IQ. Je ruwe score, het aantal goede antwoorden gewogen naar moeilijkheid, wordt vergeleken met de scores van een grote groep leeftijdsgenoten, de normgroep. Het gemiddelde van die groep krijgt het getal 100; de spreiding wordt zo geschaald dat één standaardafwijking gelijk is aan 15 punten.
Omdat intelligentiescores ongeveer normaal verdeeld zijn (de bekende klokvorm), weet je daarmee direct hoe zeldzaam een score is: ongeveer 68% van de mensen zit tussen 85 en 115, ongeveer 95% tussen 70 en 130, en boven 145 of onder 55 zit nog geen half procent.
De indeling die de Wechsler-tests gebruiken, en die de meeste psychologen in Nederland aanhouden:
| Score | Omschrijving | Aandeel van de bevolking |
|---|---|---|
| 130 en hoger | zeer hoog (hoogbegaafd) | ongeveer 2% |
| 120 – 129 | hoog | ongeveer 7% |
| 110 – 119 | hoog gemiddeld | ongeveer 16% |
| 90 – 109 | gemiddeld | ongeveer 50% |
| 80 – 89 | laag gemiddeld | ongeveer 16% |
| 70 – 79 | laag (grensgebied) | ongeveer 7% |
| onder 70 | zeer laag | ongeveer 2% |
De grenzen zijn afspraken, geen natuurwetten. Iemand met 129 en iemand met 131 verschillen in de praktijk niet; ze vallen alleen in een andere rij van de tabel.
Voor elke afzonderlijke score hebben we een uitlegpagina met het percentiel, de klasse en wat de score in opleiding en werk doorgaans betekent. Een greep:
| Score | Klasse | Percentiel |
|---|---|---|
| IQ 70 | grens tussen zeer laag en laag gemiddeld | ongeveer 2% scoort lager |
| IQ 80 | laag gemiddeld | ongeveer 9% scoort lager |
| IQ 85 | laag gemiddeld | ongeveer 16% scoort lager |
| IQ 90 | onderkant gemiddeld | ongeveer 25% scoort lager |
| IQ 100 | precies gemiddeld | 50% scoort lager |
| IQ 110 | bovenkant gemiddeld | ongeveer 75% scoort lager |
| IQ 115 | hoog gemiddeld | ongeveer 84% scoort lager |
| IQ 120 | hoog | ongeveer 91% scoort lager |
| IQ 125 | hoog | ongeveer 95% scoort lager |
| IQ 130 | zeer hoog / hoogbegaafd | ongeveer 98% scoort lager |
| IQ 140 | zeer hoog | ongeveer 99,6% scoort lager |
| IQ 150 | uitzonderlijk | ongeveer 99,96% scoort lager |
Zoek je een andere score? Vervang het getal in het adres: iq-exams.com/nl/iq-score/<score> werkt voor elke score van 40 tot 200.
Het percentiel zegt welk percentage van de mensen lager scoort dan jij. Een IQ van 115 is percentiel 84: je scoort hoger dan 84 van elke 100 mensen. Bij 130 is dat 98, bij 145 is het 99,9. Het percentiel maakt ook duidelijk waarom de schaal aan de bovenkant "uitrekt": tussen 100 en 115 zit 34% van de bevolking, tussen 130 en 145 nog geen 2%. Elk extra punt boven de 130 is daardoor veel zeldzamer dan een punt rond het gemiddelde.
Geen enkele test meet exact. Professionele tests hebben een meetfout van ongeveer drie punten, wat betekent dat een gemeten 112 in werkelijkheid ergens tussen ongeveer 106 en 118 ligt (het 95%-betrouwbaarheidsinterval). Bij een online test van 25 tot 40 opgaven is die marge eerder vijf tot tien punten. Twee scores van dezelfde persoon op verschillende dagen, of van twee personen die vijf punten verschillen, zeggen dus meestal niets over een werkelijk verschil.
Wat je wél mag lezen: de klasse waarin je valt, en de verhouding tussen je domeinscores. Iemand met 108 totaal maar 125 op ruimtelijk inzicht en 95 op verbaal vermogen heeft een uitgesproken profiel dat meer zegt dan het totaal.
Alles tussen 90 en 109 geldt als gemiddeld; daar valt de helft van de bevolking in. Tussen 85 en 115 zit ruim tweederde. "Normaal" is dus een brede band, geen enkel getal.
De gangbare grens is 130, ongeveer de hoogste 2% van de bevolking. Een score alleen is meestal niet voldoende voor die term; zie de aparte pagina over hoogbegaafdheid en een IQ van 130+.
Tussen twee afnames kan de score enkele punten verschillen door de meetfout, je vorm van de dag en bekendheid met de test. Grote verschuivingen komen vooral voor bij kinderen en bij het ouder worden; bij volwassenen is de score vrij stabiel.